a7d6d451-5ed1-4d39-85a9-fb1dd7eba3ee

De bewaarschool

Het is een winkelstraat. Een straat die leeft van mensen die komen en gaan, maar die tegelijkertijd iets statigs en blijvends heeft. De etalageruiten zouden smetteloos moeten zijn, alsof de ziel van de producten erdoorheen voelbaar wordt. Glas waarin geen vingerafdruk te zien is, zodat de blik van de voorbijganger moeiteloos naar binnen glijdt. De stoepen zouden ouderwets geveegd moeten worden, niet snel met een blazer eroverheen waarbij het vuil alleen maar verplaatst wordt, maar met een bezem, in lange halen, zodat het schoon is en blijft. Alles wat je ziet, ieder detail, draagt zijn eigen verhaal met zich mee. Winkels kunnen verdwijnen, nieuwe komen ervoor in de plaats, maar de gebouwen blijven staan. Ze bewaren een stukje van de stadsgeschiedenis in hun muren, alsof de tijd er laag voor laag in is getrokken.

Terwijl ik die ochtend de ramen stond te wassen, hoorde ik voetstappen achter me. Twee vrouwen, een oudere dame en haar dochter, liepen langzaam langs. De oudere vrouw hield zich licht vast aan haar rollator. Haar ogen dwaalden langs de winkels, maar ik zag dat ze eigenlijk iets anders zocht. Ze scande de gevels, alsof ze door het heden heen probeerde te kijken naar het verleden — naar het oude, vertrouwde straatbeeld dat hier ooit was.

De mooie, oude winkels van vroeger waren verdwenen. De bekroonde slager op de hoek  waar de geur van gerookte ham je tegemoet kwam. De muziekinstrumentenwinkel, waar in de etalage altijd een glimmende saxofoon stond. De bakker, met zijn glanzende appelflappen en knapperige broden. En de oude kantoorboekhandel, waar je uren kon dwalen tussen de stapels papier en inktgeur. Allemaal weg. Alles had plaatsgemaakt voor een gestandaardiseerd aanbod dat overal hetzelfde is. Alsof het unieke langzaam uit de straat verdween.

Tot haar verrassing viel haar blik op mijn pottenbakkerij. Ik weet niet precies wat dat voor haar betekende, maar ik nodigde haar uit om even binnen te komen. Ze aarzelde niet en stapte dankbaar over de drempel. Meteen verontschuldigde ze zich. Ze zat, zoals ze het zelf noemde, in haar “bonustijd”. Ze had ernstig ziek geweest, maar er sprak een opvallende vitaliteit uit haar houding en stem. Haar ogen straalden, ondanks alles. Ze vertelde dat ze de rollator niet gebruikte omdat ze hem nodig had, maar omdat ze zich niet kon veroorloven te vallen. “Op mijn leeftijd kun je beter geen risico nemen,” zei ze. Ze duwde de rollator een stukje vooruit, liep er langzaam achteraan en herhaalde die beweging — alsof het een dansje was ze wilde laten zien dat ze het niet nodig had.

Met enthousiasme begon ik haar te vertellen hoe de studio was opgezet, hoe het idee was ontstaan, wat mijn drijfveer was. Maar al snel merkte ik dat haar gedachten ergens anders waren. Ze keek me aan en stelde een vraag die ik nooit eerder had gehoord, maar die me op een bijzondere manier raakte: of ze een stuk klei mocht aanraken en eraan mocht ruiken.

Ze legde uit dat haar herinnering aan klei diep in haar geheugen gegrift stond. Ze zag het weer voor zich, als een film die plotseling afspeelde: de bewaarschool, de non die de klas binnenkwam met een emaillen teil, afgedekt met een geruite, natte doek. De geur van vochtige klei vulde het lokaal. Elk kind kreeg een stukje om mee te spelen. Voor haar was dat niet zomaar speelgoed, maar een ervaring die zich met geur, tast en beeld had vastgezet in haar geheugen.

Ik gaf haar een vers stuk klei. Ze nam het voorzichtig in haar handen, voelde eraan, draaide het een beetje rond. Toen bracht ze het naar haar gezicht en snoof langzaam de geur op. Er verscheen een glimlach — klein, maar intens. Het was duidelijk dat er op dat moment iets gebeurde: een directe verbinding tussen nu en toen. Alsof ze, ondanks de decennia die verstreken waren, weer even dat meisje was in de bewaarschool.

Ze bedankte me zacht. Geen lange woorden, geen uitleg meer. Ze draaide zich om, pakte haar rollator weer vast en liep rustig de straat in. Ik keek haar na, terwijl de geluiden van de stad weer om me heen kwamen. Soms, dacht ik, is het aanraken van een stukje klei genoeg om een hele wereld terug te halen.

WhatsApp Image 2025-08-25 at 14.47.57 (1)

Proust de pottenbakker

Maar zodra de slok, vermengd met de kruimels van het cakeje, mijn gehemelte raakte, huiverde ik en werd ik geheel aandachtig voor wat er iets buitengewoons in mij gebeurde. Een heerlijke gewaarwording had bezit van mij genomen, losstaand, zonder dat ik haar oorzaak kende. Onmiddellijk maakte zij de wisselvalligheden van het leven onbelangrijk, zijn rampen onschadelijk, zijn kortstondigheid illusoir – precies zoals liefde kan doen – door mij te vullen met een kostbare essentie. Of beter nog: die essentie bevond zich niet in mij, zij wás mij. Ik hield op mijzelf als middelmatig, toevallig, sterfelijk te voelen……….

Ik zat bij Nobels, ik koos een madeleine bij mij koffie, Proust popte bij mij op, ik vroeg me af hoe zou Proust klinken als hij een pottenbakker was geweest en dezelfde herrinneringen zou oproepen bij het eten van een madeleine. Dus aan Chatgpt gevraagd: maakt Proust een pottenbakker…..

En toen de slok, doorweekt met kruimels van het cakeje, mijn gehemelte raakte, huiverde ik en opende zich een wereld die ik niet eerder had geweten. Het was niet slechts de smaak van de madeleine, maar de aanwezigheid van het kopje dat mijn zintuigen overspoelde: de zachte kromming van het keramiek, de glans van het glazuur waar de vingerafdrukken van de pottenaar nog in fluisterden, het gewicht dat mijn hand omsloot alsof het een verloren deel van mijn jeugd vasthield.

Het kopje droeg de warmte van de thee zoals een hart de herinnering draagt. De ribbels van het glazuur vertelden verhalen van handen die ooit klei kneedden, vingers die de draaischijf volgden tot de ronde perfectie van een holte die de vloeistof zou omhelzen. Elke onvolkomenheid, elk subtiel verschil in dikte, werd een echo van het leven zelf – een stille getuige van dagen die voorbijgaan maar niet verdwijnen.

De madeleine, in haar bescheiden eenvoud, werd een sleutel. Zodra ik haar doopte in de thee, leek de vloeistof de klei van het kopje te doordringen, het glazuur op te warmen, en alles samen te smelten: verleden en heden, ambacht en herinnering, hand en hart. Het was alsof ik niet alleen proefde, maar voelde hoe de tijd zich weefde tussen mijn vingers en in mijn mond, hoe elke kruimel en elk glazuurspoor een verloren zondagochtend tot leven bracht.

Ik zag mezelf opnieuw als kind, mijn kleine handen vol verwachting, het zonlicht op de vensterbank dansend op de glans van het keramiek, de geur van lindebloesem in de lucht. Het kopje werd een miniatuurwereld: hol, intiem, perfect in zijn oneindige imperfectie. En terwijl de thee zich vermengde met de madeleine, leek ook mijn geheugen zich te vermengen met het ambacht, alsof elk moment van het draaien, van het kneden, van het glazuren, zich had genesteld in de poriën van het keramiek, wachtend om opnieuw te worden ontdekt.Het was geen eenvoudige handeling van drinken of eten. Het was een ritueel, een ceremonie van aanraking, geur, smaak en herinnering, waarin de eenvoud van klei en gebak een poort openden naar de oneindigheid. Het kopje droeg mijn jeugd, de madeleine mijn herinnering, en samen vormden zij een levend monument van tijd, ambacht en vreugde, waarin alles tegelijk vergankelijk en eeuwig was.