
Mijn opa Antonio kende het ritme van hard werken. Elke dag stond hij vroeg op, zijn handen altijd in beweging. Maar diep vanbinnen wist hij dat zijn leven in Italië weinig perspectief bood. Het waren crisisjaren: hoop was schaars en de politiek nog schaarser. Hij droeg de last van een gezin met drie kinderen, en de verantwoordelijkheid drukte zwaar op zijn schouders.
Op een dag kruiste de familie Talamini zijn pad. Mensen uit dezelfde streek, sprekend dezelfde taal. Zij boden hem een sprankje hoop: een baan in hun ijssalon in Nederland.
Dat idee was een sprong in het onbekende. De reis duurde dagen. Van grens naar grens met de trein, steeds uitstappen, door de douane, weer instappen — telkens een stap verder van alles wat vertrouwd was. Hij kwam in een land waar de taal klonk als een vreemd lied, waar het eten anders rook, waar mensen zich anders kleedden, geloofden en leefden. Toch zette hij door, gedreven door niets anders dan de wil om het beter te maken.

In 1932 stond hij op de Markt in Delft, bij La Venezia. Daar leerde hij ijs maken — een ambacht van geduld, precisie en liefde. Niet lang daarna deelde hij zijn kennis met andere zaken van de familie.
Maar vlak voor de oorlog vertrok hij naar Brabant, opnieuw geholpen door de Talamini’s. Daar begon hij zijn eigen zaak en haalde zijn gezin over uit Italië. Niemand van ons keerde ooit terug naar Delft.
Ik werd geboren in Oosterhout, bracht een deel van mijn jeugd door in Italië, en keerde later kort terug naar Nederland. Toch groeiden onze kinderen uiteindelijk in Italië op. Pas toen zij hun eigen weg gingen, keerden wij definitief terug. En zoals het gaat met terugkeren: je vindt nooit precies wat je achterliet. Je draagt het beeld in je hoofd, maar de werkelijkheid is veranderd.
We kozen niet voor Brabant. Onze zoon, inmiddels afgestudeerd, vestigde zich in Nederland en bracht ons naar Delft — of misschien was het Delft die ons riep. Zoals zo vaak in het leven: niet gepland, maar precies goed.
Op een dag zocht ik naar de sporen van opa. Ik vond de plek van de ijssalon op de Markt, vlak bij het gemeentehuis, en het huis waar hij en het personeel woonden, net over het spoor. Terwijl ik door de stad liep, voelde ik iets bijzonders: een gevoel van thuiskomen, op een plek waar ik nooit had gewoond. Alsof de stenen mijn naam fluisterden. Alsof mijn wortels hier ongemerkt waren gegroeid.
Jarenlang werkte ik met klei als hobby: mijn handen in de aarde, mijn gedachten in stilte. Toen wist ik het: dit is wat ik mijn leven wil geven. Geen ijs, zoals opa, maar iets anders — iets met een eigen verhaal. Keramiek.
En hoe mooi dat juist Delft een stad van klei is. Vroeger wemelde het hier van pottenbakkers, later kleurde het Delfts blauw de wereld als antwoord op Chinees porselein. Mijn familiegeschiedenis begon hier, en nu leg ik mijn eigen sporen. Niet als erfgenaam van een traditie, maar als iemand die ernaast staat en haar eigen vorm vindt.
Delft heeft mij omarmd zoals een oven de klei omarmt: warm, beschermend, en altijd met de belofte dat je er als iets nieuws uitkomt.
